Welke vragen stel je volgens de STAR-methode?

Interviewen volgens de STAR-methode: welke vragen?

In het gesprek komen idealiter de vier hoofdcategorieën aan bod:
A. conceptuele effectiviteit (“denkkracht”),
B. interpersoonlijke effectiviteit (“samenwerking”),
C. operationele effectiviteit (“werken met materie”)
D. motivatie/ambitie

Kies uit elke categorie hooguit één of twee vragen en vraag door op het antwoord.

A.  Conceptuele effectiviteit

Inventiviteit = oplossingen bedenken, ontwikkelen eigen ideeën

1. Voor wat voor soort problemen vragen mensen u advies? En wat adviseerde u?
2. Als u de handen vrij had, welke traditionele werkwijzen zou u willen veranderen in uw huidige werkomgeving?
3. Goede ideeën ontstaan soms in een groep. Wat is uw ervaring daarmee? En uw bijdrage
4. Heeft u in uw werk vernieuwingen doorgevoerd?
5. Welk type innovaties zijn nodig/ wenselijk voor de continuïteit van de branche
6. Noemt u zichzelf creatief? Waarom (niet)?

Initiatief = kansen signaleren en er naar handelen

1. Welke projecten heeft u in gang gezet? Welke voorstellen heeft u gedaan, waarom?
2. Heeft u in uw werk werkmethoden verbeterd?
3. Welke veranderingen zijn op uw initiatief doorgevoerd?

Probleemanalyse = info opsporen en mogelijke oorzaken erkennen

1. Beschrijf het grootste probleem wat u bent tegengekomen in de laatste zes maanden
2. Welke infobronnen gebruikt u voor de oplossing van dit probleem?
3. Veronderstel: u ziet als Facilitair Manager dat een bepaald product/dienst achterblijft bij de verwachtingen. Waar kan dat aan liggen volgens u?


B.  Interpersoonlijke effectiviteit

Interpersoonlijke inventiviteit = waarnemen behoefte van anderen, vermogen schatten van anderen

1. Herinnert u zich een recent probleem een medewerker bij u kwam? Hoe ging u daarmee om?
2. Heeft u wel eens impopulaire beslissingen moeten nemen? Wat waren de effecten?
3. Wat zijn momenteel problemen waarmee uw medewerkers geconfronteerd worden?

Zelfstandigheid/onafhankelijkheid = eigen mening uiten, eigen beslissingen nemen en daaraan houden

1. Kunt u twee voorbeelden geven van goede beslissingen? Welke alternatieven heeft u overwogen? Waarom pakte de beslissing goed uit?
2. Wat was uw moeilijkste beslissing in uw loopbaan? Waarom? Hoe kwam u hiertoe?
3. Wanneer betrekt u uw medewerkers in de besluitvorming? In welke mate, wanneer niet?
4. Over welke beslissing heeft u lang moeten nadenken?

Aanpassingsvermogen/flexibiliteit = vermogen tot omschakeling, npassing aan veranderende omstandigheden

1. Welke problemen kwam u voor uzelf tegen bij verandering van functie en organisatie
2. Welke baan kostte u het meeste cq. Het minste moeite in te werken?
3. Kunt u twee verschillende tactieken benoemen om hetzelfde doel te bereiken?
4. Wijkt u snel af van een gekozen plan of methode?
5. Denkt u eens aan uw beste en aan uw slechtste medewerkers/collega. Hoe pakte u hen aan?
6. Organisaties zijn in beweging. Kunt u een relevante beleidswijziging noemen in uw organisatie? Wat was daarin uw opstelling?

Inzet/doorzettingsvermogen = in actie komen en ondanks tegenwerking volhouden

1. Welke eisen stelt u aan uzelf, medewerkers, collega’s?
2. Wat onderscheidt volgens u een goede medewerker van een minder goede?
3. Wanneer geeft u complimentjes aan medewerkers/collega’s?
4. Wanneer streeft u naar perfectie?

Delegeren = weet wanneer, hoe en aan wie eigen beslissingsbevoegdheden, verantwoordelijkheid toe te wijzen.

1. Wie neemt nu uw werkzaamheden waar? Hoe kwalificeert u uw medewerkers momenteel?
2. Wat delegeert u niet?
3. Wanneer laat u uw medewerkers beslissen?
4. Heeft u vaak het gevoel dat u toch steeds moet inspringen als u iets gedelegeerd heeft?

Leidinggeven = sturing geven aan gedrag van medewerkers, zodat werkzaamheden uitgevoerd worden.

1. Hoe bepaalt u prioriteiten in de werkzaamheden van uw team?
2. Welke motivatietechnieken hanteert u in leidinggeven?
3. Heeft u ervaring met projecten? Zo ja, wat zou u anders doen?
4. Welke medewerker functioneren minder dan verwacht? Welke acties heeft u getroffen om dit te veranderen? Wat was het resultaat?

Overredingskracht = met argumenten anderen kunnen overtuigen.

1. Welke eigenschappen moet naar uw idee een goede Facilitair Manager bezitten?. Waarom?
2. Wat was volgens u uw beste voorstel dat is aangenomen? Hoe heeft u dit geïnitieerd?
3. Wat is volgens uw ervaring de beste benadering om een impopulair standpunt te verkopen?
4. Hoe lukt het u anderen mee te krijgen voor uw standpunt?

Samenwerken = met anderen aan een gemeenschappelijke taak werken en iets tot stand brengen.

1. Bent u wel eens geconfronteerd met werkzaamheden die niet belangstelling hadden? Hoe reageerde u?
2. Hoe typeert u samenwerkingspatronen in uw bedrijf? Welke problemen onderkent u daarin?
3. Om welke redenen heeft u samenwerkingsrelaties kapot zien gaan?
4. Heeft u wel eens dat uw belang in een groep waarvan u deel uitmaakt onvoldoende tot zijn recht komt? Hoe gaat u daarmee om?


C. Operationele effectiviteit

Weerstand tegen spanningen = stabiliteit onder druk en/of oppositie

1. Onder welke omstandigheden werkt u het best?
2. Welke dingen zijn volgens u het meest tijdgebonden in uw werkzaamheden?? Hoe ervaart u dat?
3. Wat rekent u tot de zwaarste teleurstelling? Hoe heeft u deze verwerkt?
4. Voelt u zichzelf wel eens onder druk gezet? Hoe reageerde u?
5. Hoe is uw opstelling in discussies waar het fel toegaat?


Plannen/organiseren = systematisch werkzaamheden voorbereiden en (doen) uitvoeren

1. Hoe heeft u zich op dit gesprek voorbereidt?
2. Hoe beschrijft u uw aanpak van een korte termijn probleem?
3. Hoe deelt u uw tijd in? Hoe bepaalt u uw prioriteitstelling?
4. Ontwikkelt u loopbaanplannen voor uw medewerkers? Hoe implementeert u deze?


D. Prestatiemotivatie

1. Welke speciale aantrekkingskracht heeft deze functie voor u? En Orpheus als werkgever? Welke verwachtingen denkt u te realiseren?
2. Welke vaardigheden zijn, volgens u, kenmerkend voor een succesvol Facilitair Manager? In welke mate bezit u deze?
3. Kunt u uw loopbaanplan voor de middellange termijn schetsen?
4. Op welke wijze denkt u uw professionaliteit als Facilitair Manager verder te ontwikkelen?
5. Welke mijlpalen treft u aan in uw loopbaan tot nu toe?
6. Wat rekent u tot uw persoonlijke werkresultaten van de laatste drie jaar?
7. In hoeverre biedt deze functie een logisch vervolg op uw huidige?
8. Van welke talenten cq. capaciteiten wordt in uw huidige functie weinig of geen gebruik gemaakt?
Word pro

Pro-abonnees downloaden gratis het Ebook met 2 vragen en antwoorden over Interviewen & selecteren (STAR-methode).